Tagarchief: proza

Doorn

Ik heb ooit een zoon gehad. Het is al heel lang geleden, ik was nog niet eens geboren.

Zijn naam was Doorn en voor zover ik weet had hij zijn hele leven alleen geleefd. Dat leven deed hij meestal niet zo slecht, en hij woonde ook wel knusjes.

Hij had zijn huisje laten kantelen toen het bijna af was, zodat hij nog een groot raam en een deur in de vloer kon plaatsen en met de meubelen de zijwand kon bedekken. In een hoek achteraan bij wat eerst het plafond zou zijn geweest stond een stoel met daarrond vier tafeltjes. Op het eerste tafeltje lag een krant, op het tweede een tijdschrift, op het derde een roman van wel vijfhonderd bladzijden en op het vierde tafeltje lag niets, voor het geval Doorn een keer niets wilde doen.

Elke ochtend, behalve woensdag, stond hij om zes uur op om te gaan werken als zakdoekverkoper. ’s Middags at hij boterhammen met kaas en paardenvlees naast het bankje bij de kerk, en dronk hij koffie uit een groene thermoskan.

Wanneer ’s avonds de andere werkmensen van het dorp wederkeerden, ging ook hij naar huis om soep en pap te eten in de keuken, op een oude krant naast het fornuis.

Bij het uitgaan van de zon legde hij zich, steeds moede, te slapen in een kamertje achteraan zijn woonst. Dan keek hij nog even naar de ingekaderde tekening van hoe zijn moeder en ik eruit zouden hebben moeten zien en liet ook hij het licht uitgaan.

Op woensdag werkte Doorn niet en stond hij niet op tot hij wakker werd. Als dat gebeurde, waste hij zich en ging hij de honden voederen in het park. Ook keek hij die dag wel eens met veel graagte naar de meisjes, maar nooit nam hij er eentje mee naar huis.

Nee, voor zover ik weet had hij zijn hele leven alleen geleefd, en dat deed hij meestal niet zo slecht.

Op zijn laatste dag, toevallig een donderdag, was Doorn midden in de nacht opgestaan om te sterven, en dan ging hij lachend door de voordeur naar de hemel.

 

Jürgen Nakielski

Advertenties
Getagged , , , , ,

“Wachten op de sasquatch”

Tussendoor is het tijd voor iets nieuws. En tegelijk iets ouds. Toen ik mijn eerste stappen zette op het internet, als jonge snaak, hield ik me op het toenmalige forum van JimTV bezig met het plaatsen van verhaaltjes in vervolgvorm. Het was leuk, en ik wist zelf meestal ook niet waar het naartoe zou gaan. Dat was spannend, voor mezelf én voor een handjevol volgers op dat forum. Dat wil ik opnieuw doen. Het forum van JimTV is niet meer, maar het internet is nog zo veel groter. Hip is het niet wat ik doe, maar ik vind het leuk. Daarom.
#wachtenopdesasquatch.

“Wachten op de sasquatch” is een vervolgverhaal. Op tijd en stond verschijnt er een nieuw deeltje van het verhaal. Er is nog geen genre. Er is nog geen einde. Laat je verrassen. Duik mee in het verhaal. Begin bij het begin. En volg.

Klik hier om naar het vervolgverhaal te gaan…

Deze site wordt vernietigd wanneer het verhaal ten einde is. Vraag niet wanneer.

cropped-woods-3176766_960_7201

Getagged , , , , , ,

Waterlanders.

Hij leefde nog. Ik kon het zien aan zijn kieuwen.
Om een of andere reden was hij gestopt met zwemmen. Moe of ziek of zomaar. Hij kon niet verder.

Ze haalde hem uit het water en hield hem voor me uit.
“Je mag hem niet aaien met je droge handen.”  zei ze.

Doe ik niet. Hij zou me toch niet vertrouwd hebben. Vissen doen dat niet. Zij maken het zichzelf nooit zo moeilijk. Ze legde hem in onze emmer, half gevuld met water, en zo snel we konden fietsten we klotsend naar het kleine vijvertje aan het eind van de wijk. Het water zag er daar properder uit dan hier. Er dreef in ieder geval minder huisvuil rond.

Ik moest de emmer dragen en ik deed dat met plezier.

Toen we aankwamen aan het vijvertje was hij dood. Ik kon het zien aan zijn kieuwen.

Hoe sterft een vis? Zou hij zich zijn leven herinneren? Wat zou hij voelen? Misschien wist hij dat hij doodging. Misschien net niet.

Ik liet mijn fiets vallen in het gras en mezelf zakken op de grond. Was het mijn schuld dat hij is doodgegaan? Dit heb ik niet gewild. Daar kwamen de waterlanders.

Zouden wij met graagte
vallen
als dwarrelend
zonder onszelf pijn te doen
maar met steeds
diezelfde bestemming

Onderaan
daar waar zwaarte
haar verlangen legt
haar wil
haar doel
en spreken
noch zwijgen
ertoe doet

Ze kwam voor me staan. Ik weet niet meer hoe ze me troostte maar ze deed het. Misschien zei ze zelfs helemaal niets, maar het deed wel iets met mij, alsof ik zelf een vis was die van het vuile in het propere water terechtkwam. En of ik leefde. Dat kon je zien aan mijn kieuwen. Sowieso, dat wist ik wel zeker!

Getagged , , , , ,

Woensdagbloesem (uit “Wachten op neerslag”)

Ik zit op een bankje in het park. Doe ik elke woensdag. De bloesems boven mijn hoofd houden mijn glimlach op zijn plaats. Het zijn mooie dagen.

Langs me heen loopt een meisje. Doet ze elke woensdag. Haar naam weet ik niet, maar ik schat haar een jaar of tien. Ze draagt een mandje onder haar arm. Bloemetjes en elastiekjes. Zelf heb ik nooit gezien wat ze daarmee doet, maar als ik in de vooravond huiswaarts slof zie ik de bloemetjes, vastgemaakt aan elk dood beest langs de kant van de weg.

Ze kijkt naar mij. Ik weet niet wat te zeggen. Ik glimlach. Ze lacht zo mooi.

“Straks goed je handjes wassen, hé liefje?” zeg ik.

Ze geeft me een bloem en loopt verder. Ze ruikt nog fris.

Aan de overkant van de straat slentert een man bij de geldautomaat. Doet hij elke woensdag. Hij pakt de afschriftjes op die de mensen laten liggen. Hij snuffelt, ruikt, fantaseert, kan de schuld voelen aan de kreukjes. Ik stap op hem af en geef hem mijn ticketje van deze middag. Het kan hem maar gelukkig maken.

De nacht valt. Doet hij elke woensdag.

Aan de andere kant van de stad zit een meisje op haar bed. Naast haar een mandje. Bloemetjes en elastiekjes. Ze kijkt uit het raam. Ze weet niet wat te doen. Haar vader komt voor haar staan, broek op de enkels. Ze pakt zijn lid en streelt het tot het groter wordt. Dan steekt ze het in haar mond. Ze weent. Doet ze elke woensdag. Het is voorbij. Hij trekt zijn broek op, gaat diep in zijn zakken en geeft haar een stapeltje bankafschriften.

“Hier is je geld.” zegt hij, “En nu goed je handjes wassen, hé liefje?”

Ze geeft hem een bloem en loopt naar de badkamer. Ze ruikt nog fris.

Hij streelt zacht de lakens waarop ze heeft gezeten, snuffelt, ruikt, fantaseert, kan de schuld voelen aan de kreukjes.

 

[tekst uit de bundel “Wachten op neerslag” (ISBN 9789460791208) – bestelbaar via http://www.deleeswinkel.be/wachten-op-neerslag.html]

wachtenopneerslagjpg

Getagged , , , , , ,

[fragment] :: “Wij hadden onze namen nog”

Klasfoto. Ik ben al namen vergeten. Er zijn doden bij, dat weet ik. Wij blijven over.

Daar sta ik, links. Ik lachte want dat hoorde zo.

Ik droeg een afdragertje van een trui, van mijn vader godbetert. De kleuren van de sixties en hij prikte. En ik had het nog steeds koud.
Afdragertjes moeten kunnen, vind ik nu, maar ook werken. Moest ik kinderen hebben, ik zou ze de kunst van het afdragen leren, als ze dat maar willen. Als ik mijn familiekleren vroeger zelf mocht kiezen, vond ik het nog wel leuk. Een voetbalbroek van mijn oom werd mijn paar nieuwe clownspijpen, met de oude handschoenen van oma was ik Michael Jackson en ik heb me nog maar zelden zo’n echte man gevoeld als toen ik voor het eerst de bretellen van mijn grootvader omdeed.
Breed hadden ze het niet, mijn ouders, maar ze deden wat ze konden en ze deden het samen.

Daar staat zij, bij het midden. Ook zij lachte, maar dan echt en soms naar mij. Daar moest ik het gaan zoeken, wist ik toen. Dat dacht ik wel vaker, maar dat was anders. Daar wilde ik het gaan zoeken, en durfde. En daar vond ik het ook. De ware liefde. Toen wist ik niet wat dat was.
Verder dan af en toe een heel klein zoentje bestond niet, niet voor ons. En hand vasthouden zo lang we konden. En samen spelen, toen dat spelen nog een spel was voor iedereen en ook voor ons.
Ik hield van haar. Dat durf ik nu wel zeggen. Toen was dat iets voor grote mensen en die geloofde ik niet. Wij wisten beter. Wij waren beter. Wij waren klein.

Ik ben niet helemaal geworden wie ik toen dacht te willen zijn, maar als kind was ik ook wel eens mis.
Groter nu, en zwaarder, en schouders die gedragen hebben en een hoofd dat voller zit, vanbinnen en vanbuiten. En een baard die er anders uitziet dan de baard die ik mezelf vroeger gaf met stift, penseel of potlood, maar waar ik best tevreden over ben zoals grote mensen tevreden kunnen zijn: genoegen nemen met een trapje lager dan geluk, want overdaad schaadt. Altijd.

Getagged , , , , , ,

“Wachten op neerslag” nu te koop.

 

KLIK HIER OM TE KOPEN

wachtenopneerslagjpg

ISBN 9789460791208

Bestelbaar via o.a. http://www.deleeswinkel.be, Standaard Boekhandel, ook verkrijgbaar in PoëzieCentrum Gent, Boekhandel De Limerick Gent, Standaard Boekhandel, …

 

Getagged , , , , , , ,

Neerslag

Ik ga beginnen met een woord dat ik zelf heb uitgevonden.

Stuifregen.

Het staat niet eens in het woordenboek, maar ík vind wel dat het bestaat. En ik heb er een hekel aan.

Je wordt nat. Dat is geen princiepskwestie omdat het over regen gaat, nee, je wordt gewoon nat. Of je nu een paraplu boven je kop hebt hangen of niet.
Het is een uitermate zielige vorm van regen. Het valt niet eens, nee, het stuift in je gezicht en als je er doorloopt, mis je op de koop toe nog eens het gevoel voor dramatiek dat je bij een plensbui wél hebt. Daar gaat niets boven: trieste, bombastische muziek in je koptelefoon terwijl dikke druppels je haren tegen je ogen plakken en jij daar kan lopen zwelgen in de gedachte van “kijk mij hier zwoegen”. Door weer en wind, ja, maar niet door stuifregen. Niets drama, niets poëtisch, geen immer overtreffende smartlapperij. Je kan hoogstens doen alsof je zweet.stuifregen

Getagged , , , , , ,

zomaar.

“Ik maak mijn eigen leegte wel.” zei je. En je verdween. Zomaar.
En net zo zomaar volgde ik.

“Verdwijnen wordt overschat.” dacht ik nog, terwijl ik vulde wat jij achterliet.

Getagged , , , , , ,

[EGO] Femina II

Soms zeggen mensen iets zinvols vlak voor ze sterven. Memorabele woorden. Iets moois. Maar dat is uitzonderlijk. Meestal gaan ze gewoon dood.

Ik weet nog hoe ik daar stond. Als gisteren.
In mijn linkerhand de bom. In mijn rechter een verwachting, tergend traag gekneed tot een verlangen. Als een diamant die gepolijst wordt tot net iets meer van waarde.

Ik wachtte. Nee. Ik smachtte. Ik smachtte naar haar laatste woorden. Woorden waarvan ik wist dat ze niet meer zouden komen.

Die ogen. Was dit wat ik van haar gemaakt had? Was zij nu mijn kunstwerk geworden?

Schuld is voor zij die nog hoop hebben, had ik haar verteld. Ik was het zelf gaan geloven. Hoop.

Ik zag haar nog voor me staan. Meer nog, ik voelde het. Al onze ledematen op de juiste plaats. Tintelingen.

“Dansen?”

Ik zei geen nee. En precies dat moment had langer mogen duren. Zij keek naar mij, lachte naar mij. Zij vroeg mij en ik, ik bestond.
Maar het moment duurde niet langer dan nodig: één blik, één lach, één vraag en een bestaan met slechts een ogenblikje heden.

Ik voelde haar. En ik droomde. Ik droomde dat zij twee rechtervoeten had. En dan ik met mijn twee linker en dan wij, rondjes draaiend dansen voor een eeuwigheid.
Maar zij had geen twee rechter, en de eeuwigheid koos ervoor om samen met mijn droom in mijn keel te gaan kloppen.
Tweemaal glimlach en een dubbele dankjewel later was zij nog steeds dood.

En ik wist dat ik haar hier naartoe zou leiden. Ik wist het helemaal. Want ik, ik had het plan bedacht.

Nu sta ik hier. Met die bom, en met die tot verlangen geknede verwachting die niet meer ingelost wordt.
Zij zal geen laatste woorden meer zeggen, niet meer lachen, niet meer dansen. Zij zal niet meer regenen.
Nee, nu ben ik het, zoekend naar een hoger doel, wachtend op een redding.
Nu ben ik het die weent, tranen van steengruis, hopend dat ik ooit nog een kunstwerk word.
Ik ben het, en je hebt het nooit geweten.

Mijn ogen. Het is alsof het regent achter het raam. Je kijkt ernaar, maar je voelt niets.

Getagged , , , , , ,

[EGO] Femina

Die ogen. Het was alsof het regende achter het raam. Ik keek ernaar maar voelde niets.
“Ik haat je.” zei ze, en haar schoonheid zonk diep weg in mijn bestaan. De wereld verging niet. Het deed ook geen pijn. Niets.
“Hoe lang heb je nog?” vroeg ik.
“Morgen ben ik dood. Ik kies het zelf niet.” antwoordde ze. “Ik kwam afscheid nemen maar je ogen zwijgen. Ik had er meer van verwacht.”
Ik zou gevraagd kunnen hebben of het ging, maar die vraag had ik niet. Ze was niet uit mij ontstaan, ik had ze uit boeken, films, fantasie.
“Gaat het?”
En ze zag dat ik loog.
“Dat antwoord blijf ik je schuldig, al voel ik mij niet zo. Ik ben niet gekomen om schuld te bekennen.”
Ze zei het alsof ze het meende.
“Schuld is voor zij die nog hoop hebben,” zei ik, “spijt is al te laat. Jij mag kiezen waarmee je straks weer de deur uitgaat.”
En zo bleven we staan.
“Het is te laat, dus hoop is er niet meer. De bom is ingeplant en de enige weg die ik nu nog ken is die naar mijn doelwit.”
“De bom zal ontploffen, maar ik laat je niet gaan.”
“Bedoel je dat …”
“Nee. Ik ga niet met je mee. Ik ben je redder niet. Je mag sterven en je zal sterven, maar ik bepaal.”

Ik pakte haar bij de arm en nam haar mee naar buiten. Niets viel op.
“Waarom heb je je voor mij nooit opgeofferd?” vroeg ik.
“Ik draag dezelfde redenen mee als jij; egoïsme en een hoger doel.”
“Hoger doel? Jouw doel bestaat niet meer. Jij bent een middel geworden. Mijn middel.”
We liepen over straat, arm in arm, onopvallend.
Er stonden overal huizen. Hier waren geen ontploffingen. Hier bestonden wij niet.
Zij wist niet waar ik haar naartoe zou brengen. Ik wel. Ik wist het helemaal, had het plan net bedacht.

Altijd had ik gedacht dat ze mij begreep, dat ze wist wie ik was, dat ze mij kon lezen. Niets. En het deed mij ook niets. Droge regen.
We stapten tot mijn bestemming was bereikt, maar nog steeds wist ze niet waar ze was. We wachtten. Nog die ene nacht. Zou het?
Onze armen haakten steeds harder in elkaar. Hoe langer we samen waren, hoe harder ik voelde. Toch, nee. Ik kan niet zeggen dat ik iets voelde, maar ik wilde de huid. Ze was niet tastbaar voor mij.
Mijn ledematen op de juiste plaats, zo hoorde het. Ik voelde haar ademhaling drukken tegen het puntje van mijn elleboog. Tintelingen.
Hoe valt de muur als er geen morgen is?
Ik streelde haar. Ze weende tranen van steengruis. In haar ogen was ik de beeldhouwer die haar tot zijn laatste kunstwerk zou maken.
Ik keek naar haar en door haar heen.

Haar ogen, polsen, haar billen en haar heupen, haar borsten en haar hals, haar haar.
Ze was.
Al die jaren was ze mijn moeder geweest, mijn zuster en mijn dochter. Zij was een vrouw en symbool voor het geslacht. Haar heupen.
Ik ontdeed haar van haar kleren, liet de bom zitten. Diep. Ooit zou ze mijn kind kunnen baren hebben. Nooit.
Zij was. Mijn doorzichtige terroriste. Zelfs voelen deed ik door haar heen. Ik wist waar de explosie zat.

Ik brak haar nek.
Haar lichaam verdeelde ik in vier gelijke delen, tot het klokhuis.
Ze had nooit geweten waar ze was. Nooit geweten waarom. Ik wel. Had het plan net bedacht.

De bom hield ik voor mezelf.

 

 

Getagged , , , , , , , , , , , ,
Advertenties